"They were careless people, Tom and Daisy—they smashed up things and creatures and then retreated back into their money or their vast carelessness or whatever it was that kept them together, and let other people clean up the mess they had made."
— F. Scott Fitzgerald, The Great Gatsby (1925)
Dagboek van Cordelia Cavendish
De erfgename en de boeken in de kluis
Chelsea Hotel, New York City — 22 januari 1925
18 januari 1925, laat in de avond
Het was reeds diep in de nacht toen wij eindelijk terugkeerden in het hotel. Na
hetgeen zich onder Juju House had afgespeeld, verlangde ik eigenlijk slechts naar een
warm bad en mijn bed, maar Percy en John waren nog voldoende bij hun positieven om de
merkwaardige voorwerpen die wij hadden meegenomen nader te bestuderen.
Vooral de twee hoofddeksels trokken hun belangstelling. Het afzichtelijke masker
met de vier houten figuren gaf zijn geheimen niet gemakkelijk prijs. Wat de precieze
betekenis of oorsprong ervan was, konden zij niet vaststellen.
Met de metalen kroon van de priester had John meer succes. Uit de tekens en symbolen
meende hij op te maken dat het ding twee functies bezat. Enerzijds zou het de drager op
enige wijze bescherming bieden; anderzijds scheen het gebruikt te kunnen worden om
bepaalde wezens op te roepen.
Dat laatste behoefde voor ons helaas geen verdere bevestiging. Wij hadden het met
eigen ogen aanschouwd.
19 januari 1925
Bij het ontbijt moesten wij tot de weinig bevredigende conclusie komen dat wij de
cult weliswaar een gevoelige slag hadden toegebracht, maar nauwelijks dichter bij ons
doel waren gekomen om de onschuld van Hilton Adams te bewijzen. Wij hadden cultisten
gedood, hun heiligdom ontdekt en zelfs enkele van hun rituele voorwerpen in handen
gekregen. Maar bewijs dat Adams niets met de Harlem Murders van doen had gehad?
Nauwelijks.
Misschien hadden wij iets over het hoofd gezien. Bovendien waren wij bijzonder
benieuwd wat zich sinds ons nachtelijke bezoek in Harlem had afgespeeld. Wij besloten
daarom opnieuw naar Juju House te rijden.
Het sneeuwde wederom in New York en een ijzige wind joeg door de straten. Toen wij
de winkel naderden, bleek al snel dat wij niet de enigen waren die belangstelling voor
het pand hadden.
Voor Juju House stonden verscheidene politieauto's. Onder de aanwezige agenten
herkenden wij meerdere mannen die onder het bevel van Walter Robson stonden. Het leek
ons weinig verstandig ons daar openlijk te vertonen. Wij reden daarom door naar het
hoofdkwartier van de Harlem Hellfighters, in de hoop dat zij wellicht meer wisten.
Helaas bleek ook hun kennis beperkt, hoewel wij de indruk kregen dat Art Mills of
Douglas Fells zich mogelijk in de omgeving van Juju House bevonden om de politie in
het oog te houden.
Nu wij er toch waren, informeerden wij verder naar de rechtszaak tegen Hilton Adams.
Hetgeen wij vernamen verbaasde mij nauwelijks meer. Na Adams' veroordeling waren
pogingen ondernomen om hoger beroep aan te tekenen, maar ergens hogerop waren deze op
opmerkelijk doeltreffende wijze tegengehouden. Er waren duidelijk lieden die er belang
bij hadden dat Hilton Adams zijn mond nooit meer zou opendoen. Het leek ons tijd onze
eigen advocaat bij de zaak te betrekken.
Daarna reden wij wederom naar Juju House, ditmaal via de achterzijde van het gebouw,
waar wij de vorige nacht waren binnengekomen. En daar zagen wij Walter Robson zelf.
Terwijl wij nog overlegden wat te doen, verscheen een ongemarkeerd busje. Op de
bijrijdersplaats zat een politieagent, die onmiddellijk wegdook toen hij ons zag.
Niet veel later verscheen ook Robson aan de achterzijde van het pand. Voor mij was
de zaak duidelijk genoeg. Wat zich daar ook bevond dat Robson niet in handen van eerlijke
politiemensen of andere onderzoekers wilde zien vallen, stond op het punt te verdwijnen.
Helaas beschikten wij over een sterk vermoeden, maar niet over een bijzonder goed
plan. Ons besluiteloos rondhangen trok uiteindelijk de aandacht. Percy en ik werden
aangehouden wegens — zo luidde de officiële beschuldiging — "rondhangen".
Terwijl Percy en ik een weinig verheffend ritje naar het districtsbureau van Harlem
maakten, begaven John en Hank zich naar Carlton Ramsey. Daar zetten zij onmiddellijk
twee zaken in beweging: een juridische procedure om toegang te krijgen tot het dossier
van Hilton Adams, in de hoop voldoende grond te vinden om zijn zaak te heropenen, en
een poging Percy en mij uit handen van de politie te krijgen. Dat laatste bleek gelukkig
niet nodig. Men liet ons direct weer gaan.
Die avond waren wij allen terug in het hotel voor het diner, toen Martin Poole
onverwacht bij ons aanschoof. Dat kwam mij goed uit, want ik wilde hem toch reeds spreken
over Walter Robson. We vroegen hem zonder al te veel omwegen of hij bereid was mee te
werken aan een onderzoek naar mogelijke corruptie binnen zijn eigen korps. Zijn
enthousiasme daarvoor bleek bijzonder gering.
Wel wist hij ons twee zaken te vertellen. Ten eerste was Juju House inmiddels door de
politie verzegeld. Ten tweede stond er in Harlem een prijs op onze hoofden. Wie daarvoor
verantwoordelijk was, behoefde weinig uitleg. Kennelijk waren er na onze nachtelijke
onderneming nog voldoende leden van de cult over om wraak te willen nemen.
20 januari 1925
Daar wij op dit ogenblik weinig meer konden uitrichten in de zaak-Robson, besloten wij
de volgende ochtend onze aandacht voorlopig elders op te richten. Op Erica Carlyle. En
meer bepaald op de boeken in haar kluis, waarover Jackson Elias in zijn aantekeningen
had geschreven.
Erica is de jongere zuster van Roger Carlyle en heeft sinds diens verdwijning zowel
het familiefortuin als de leiding over de onderneming in handen gekregen. Dat fortuin
was voor een belangrijk deel tijdens de oorlog opgebouwd door handel in wapens en munitie.
Uit hetgeen wij over haar konden achterhalen, ontstond het beeld van een opmerkelijke
vrouw. Zij had gestudeerd aan Harvard en was in haar jongere jaren enigszins het
buitenbeentje van de familie geweest. Na een hevige ruzie met Roger zou zij enige tijd
een aanzienlijk minder voornaam bestaan hebben geleid.
De verdwijning van haar broer veranderde alles.
Aanvankelijk nam zij slechts tijdelijk de leiding over de familieonderneming op zich.
Nadat Roger officieel dood was verklaard, werd die positie permanent. En kennelijk
terecht. Onder haar leiding leek het bedrijf uitstekend te floreren.
Wij vernamen tevens dat zij op 22 januari een groot benefietgala zou organiseren in
het Hilton Hotel. Mocht een gewone afspraak wederom onmogelijk blijken, dan bood dat
wellicht een andere gelegenheid om haar te ontmoeten.
Maar wij hadden inmiddels een nieuw middel om haar belangstelling te wekken. De boeken.
We waagden opnieuw een telefoongesprek met Bradley Grey, haar persoonlijk assistent.
Ditmaal verliep het aanzienlijk beter. Toen wij onze belangstelling voor de boeken kenbaar
maakten, bleek er plotseling wél ruimte in mevrouw Carlyle's agenda. Wij waren nog
diezelfde avond welkom op het Carlyle Estate.
Voor ons vertrek besloot ik nog een telefoongesprek te voeren.
Het exemplaar van Africa's Dark Sects dat wij onder Juju House hadden gevonden,
droeg een stempel van Harvard. Wij vermoedden reeds dat dit hetzelfde boek moest zijn
waarnaar Jackson onderzoek had gedaan. Een gesprek met een bibliothecaresse van Harvard
bevestigde dat vermoeden. Het boek stond officieel als gestolen geregistreerd. Het was
voor het laatst uitgeleend in 1919, aan iemand met de naam Ninchoka Bunah.
Zes jaar later hadden wij het aangetroffen in een ondergronds heiligdom van een
moorddadige cult.
Ik schreef de naam met grote letters in mijn aantekeningen.
Ninchoka Bunah.
Ik vermoed dat wij haar nog niet voor het laatst zijn tegengekomen.
Na een rit van enkele uren bereikten wij die avond het Carlyle Estate. Het landgoed
was alles wat men van een familie met een dergelijk vermogen mocht verwachten: groot,
smaakvol en vooral bedoeld om iedere bezoeker onmiddellijk duidelijk te maken dat geld
hier geen beperking vormde.
Bradley Grey ontving ons. In het vertrek bevond zich tevens een vrouw die kennelijk
probeerde de indruk te wekken slechts een andere gast te zijn. Ik herkende Erica Carlyle
echter vrijwel onmiddellijk. Waarom zij het nodig vond ons eerst enige tijd te observeren,
weet ik niet, maar wij besloten haar spelletje mee te spelen.
Niet veel later maakte zij zichzelf alsnog bekend.
Het gesprek kwam spoedig op de boeken. Erica had er zelf weinig belangstelling voor.
Haar broer was degene geweest die zich met dergelijke zaken bezighield. Zij begreep echter
heel goed dat het zeldzame en kostbare werken waren en was daarom niet van plan ze zonder
meer van de hand te doen, maar zij stond ons wel toe ze te bekijken. Zij bracht ons naar
de verborgen kluis en opende deze.
Binnen lagen vier boeken: The Pnakotic Manuscripts
Sélections de Livre D'Ivon
Amongst the Stones
Life as a God
Nu was het aan John. Hij bestudeerde de werken met het oog van iemand die aanzienlijk
beter dan ik wist waar hij naar keek. Al spoedig ontstond tussen hem en Erica een beleefd
doch scherp steekspel over ouderdom, zeldzaamheid en waarde.
Vooral The Pnakotic Manuscripts en Sélections de Livre D'Ivon bleken
buitengewoon zeldzaam — en overeenkomstig kostbaar.
Nog belangrijker was echter hun inhoud.
Onze vermoedens bleken juist. De boeken behandelden occulte onderwerpen, oude
overleveringen en zaken die ik enkele jaren geleden nog als bijgeloof terzijde zou hebben
geschoven. Ik weet inmiddels beter. Het leek daarom zeer wel mogelijk dat deze werken ons
meer konden vertellen over de werkelijke motieven achter Roger Carlyle's expeditie.
Nadat John zijn onderzoek had voltooid, keerden wij terug naar het ontvangstvertrek.
onderweg kon ik het niet nalaten Erica één laatste vraag te stellen. Of de naam Ninchoka Bunah
haar iets zei. De verandering in haar houding was onmiddellijk merkbaar. Zij kende de naam.
En zij had duidelijk een hekel aan de vrouw die erbij hoorde.
Erica omschreef haar als een zwarte vrouw die zich aan Roger had opgedrongen en grote
invloed op hem had gekregen. Volgens haar was het Bunah geweest die Roger uiteindelijk
tot de expeditie had aangezet. Veel meer wilde zij niet zeggen. Maar haar reactie vertelde
ons bijna evenveel als haar woorden.
Wij keerden pas laat die nacht terug naar New York. In het hotel wachtte ons een
onaangename verrassing. Men had onze kamers verplaatst, omdat iemand had geprobeerd de
deuren van onze oorspronkelijke kamers te forceren. Blijkbaar wist men inmiddels precies
waar wij verbleven.
Alsof dat nog niet duidelijk genoeg was, verscheen niet veel later — ondanks het late
uur — een straatschoffie in de lobby met een boodschap voor ons. Wij moesten de "kroon
van de koning" en de "hoofden van de goden" terugbrengen naar Juju House. Als
wij dat deden, zou alles vergeven en vergeten zijn.
Wij besloten die nacht maar allemaal in dezelfde kamer te slapen.
21 januari 1925
De volgende ochtend zaten wij nog maar nauwelijks aan het ontbijt toen er rumoer
ontstond bij de receptie. Wij gingen uiteraard kijken. Tot onze schrik zagen wij nog
juist Walter Robson, vergezeld door enkele agenten en een zichtbaar verontwaardigde
hotelmedewerker, in de lift verdwijnen. Een aantal andere agenten bleef beneden achter.
De politie kwam onze kamers doorzoeken. En in die kamers bevonden zich verscheidene
voorwerpen die ons bijzonder moeilijk uit te leggen banden zouden geven met hetgeen
zich onder Juju House had afgespeeld. Niet alles hadden wij immers in de hotelkluis
opgeborgen.
John reageerde onmiddellijk. Hij rende naar de trap en stormde naar boven, in de
hoop de politie voor te zijn. Percy bleef daarentegen onverstoorbaar aan tafel zitten
en dronk zijn thee alsof er niets bijzonders gebeurde. Henry en ik trachtten intussen
iets anders te regelen: de voorwerpen uit de hotelkluis moesten zo snel en onopvallend
mogelijk naar onze automobiel worden gebracht, zonder dat de agenten bij de receptie
daar lucht van kregen.
Tot mijn verbazing liep de gehele zaak uiteindelijk met een sisser af. Het
hotelpersoneel, dat kennelijk weinig sympathie voor Robsons optreden had, leidde de
politie namelijk naar onze oude kamers. Niet naar de nieuwe.
Ik besloot ter plaatse dat het personeel van het Waldorf zijn fooi ruimschoots
verdiend had. Maar de boodschap was duidelijk. Het werd tijd te vertrekken. Wij besloten
uit het hotel te verdwijnen en elders onderdak te zoeken. Ook de Rolls-Royce was inmiddels
veel te herkenbaar geworden. Die zouden wij verruilen voor een aanzienlijk minder
opvallende Ford Model T.
Om eventuele belangstellenden op een dwaalspoor te brengen, zouden wij laten uitschijnen
dat wij naar het Hilton verhuisden. In werkelijkheid kozen wij voor het Chelsea Hotel.
Voordat we vertrokken besloten we nog te informeren naar een andere, eerdere aanwijzing
uit de bezittingen van Jackson Elias. De in New York University gegeven lezing over
Polynesische culten. Een uitgebreid telefoongesprek met de bewuste professor leverde ons
informatie op over vleermuisculten en The Father of All Bats.
One: a bat cult once existed among the Aboriginal peoples of Australia.
It was known across the continent, and the god of the cult was known as the
Father of All Bats. Adherents believed that by making human sacrifices to
their god, they themselves would be co me worthy enough that the Father of
All Bats would appear to them. Once he was enticed to appear, the god would
conquer all men. Sacrifices were run through a gauntlet of worshippers who
struck the victims with clubs embedded with the sharp teeth of bats. The
teeth were coated with a fast-acting poison, somehow derived from fermented
bat droppings. The victims apparently went mad before they died. Leaders of
the cult reputedly could take the forms of bat-winged snakes, enabling them
to steal sacrifices from across the land. Cowles believes that this cult be
came dormant or extinct hundreds of years ago. Its former existence is the
reason that he became interested in Jackson Elias' books about present-day
cults.
Two: an Aboriginal song cycle mentions a place where enormous beings
gathered, somewhere in the west of Australia. The songs say that these gods,
who were not at all like men, built great sleeping walls and dug great caves.
But living winds blew down the gods and overthrew them, destroying their
camp. When this happened, the way was open for the Father of All Bats, who
came into the land, and grew strong.
Three: a set of four overexposed glass slides. Each shows a few sweating
men standing beside enormous blocks of stone, pitted and eroded but clearly
dressed and formed for architectural purposes. Dim carvings seem to decorate
some. Billows of sand are everywhere. Though he did not bring the book with
him, Cowles says that the discoverer, one Arthur MacWhirr of Port Hedland,
Australia, kept a diary in which he recorded several attacks on the party
by Aboriginals. MacWhirr reportedly records deaths to victims from hundreds
of small punctures, reminiscent of the earlier bat cult.
Four: Cowles tells a tale he collected from near the Arafura Sea, in
northern Australia. In it Sand Bat, or Father of All Bats, has a battle of
wits with Rainbow Snake, the Aboriginal deification of water and the patron
of life. Rainbow Snake succeeds in tricking and trapping Sand Bat and his
clan in the depths of a watery place from which Sand Bat can only complain,
and is unable to return to trouble the people.
Vlak voor ons vertrek werden we echter nog naar de telefoon geroepen. Tot mijn verrassing
was het Erica Carlyle zelf. Zij had verder nagedacht over ons gesprek van de vorige avond
en was bereid de boeken te verkopen. Wij mochten een bod uitbrengen.
De prijzen van The Pnakotic Manuscripts en Sélections de Livre D'Ivon bleken
echter zelfs na Jacksons aanzienlijke erfenis nauwelijks verantwoord. Hoe graag John ze
vermoedelijk ook in handen zou krijgen, wij konden moeilijk ons gehele nieuwverworven
vermogen in enkele boeken steken. Wij besloten daarom alleen Amongst the Stones en
Life as a God aan te schaffen.
Het gesprek had daarmee kunnen eindigen. Maar toen liet Erica nog iets vallen dat mijn
belangstelling onmiddellijk wekte. Zij had oude foto's bekeken waarop Roger en verschillende
personen rond de Carlyle-expeditie stonden afgebeeld. Ook Ninchoka Bunah kwam op verscheidene
daarvan voor. Maar nooit herkenbaar. Steeds stond zij met haar rug naar de camera, of was
haar gezicht op andere wijze aan het zicht onttrokken. Een enkele maal zou toeval kunnen
zijn. Verscheidene malen niet.
Het wordt hoog tijd dat wij deze Ninchoka Bunah nader onderzoeken.
En niet alleen haar. Wij hebben ons tot dusver vooral beziggehouden met Roger Carlyle
zelf, maar hij vertrok niet alleen naar Afrika. Rond hem bevond zich een heel gezelschap
van mensen die ieder hun eigen redenen moeten hebben gehad om hem te volgen.
Wie waren zij werkelijk? Wat zochten zij? Het wordt tijd om hier verder in te duiken.