In het middelpunt van Men-nefer verrijst een grootse piramide, hoog uittorenend boven al het overige — een monument opgericht ter ere van den onsterfelijken Farao, wiens heerschappij zich uitstrekt ver voorbij de enge grenzen van het sterfelijk bestaan zelve. Dit kolossale bouwwerk, welks zijden glad zijn als glas en zwart als de afgrond tusschen de sterren, heerst over het onderaardse landschap der necropool. In haar schaduwrijke diepten bevindt zich de troonzaal waar hij zetelt op een zetel gesmeed uit obsidiaan en goud — een gestalte tegelijk majestueus en kwaadaardig, wiens blik door de sluiers dringt die de werkelijkheid zelve weeft rondom de broze geesten van het menselijk geslacht.
— Uit John Dee's vertaling van de Necronomicon, 1596

Lima, Peru — 19 maart 1920
Ik heb besloten een dagboek bij te houden. Waar ik aanvankelijk van plan was mijn ervaringen uitsluitend via brieven aan het thuisfront toe te vertrouwen, is mij reeds duidelijk geworden dat dit geen verstandig voornemen was. Niet alleen is het verzenden van post hier onbetrouwbaar — wanneer het al mogelijk is — maar belangrijker nog: ik zou eenvoudigweg niet weten wat ik zou moeten schrijven.
Mijn familie zou zich slechts ongerust maken over mijn veiligheid (of, wellicht nog meer, over het familiekapitaal), terwijl anderen mij zonder meer voor fantast zouden uitmaken. Een dagboek biedt uitkomst: papier dat niet schrikt, niet oordeelt en mij toestaat alles neer te schrijven wat zich aandient. En dat is — zo besef ik nu — aanzienlijk meer dan ik had voorzien.
De expeditie is namelijk nog vóór zij officieel is begonnen al volkomen anders dan ik mij had voorgesteld. Ik was uitgegaan van een ordelijke onderneming: ervaren heren, een duidelijk doel, en een zoektocht naar oude stenen en hopelijk gouden artefacten. Dat naïef-romantische beeld heb ik vrijwel onmiddellijk moeten loslaten. Er lijkt meer aan de hand te zijn. Veel meer.

Aanvankelijk verliep alles nog zoals verwacht. Tijdens de overtocht had ik reeds kennisgemaakt met Percival FitzRoy, en in de verstikkende hitte van de bar van Hotel Maury ontmoette ik de overige leden van het gezelschap: Johnathan Corso en Henry Dussen. Stuk voor stuk heren die een betrouwbare indruk maakten en die zich met ernst op onze onderneming leken te willen storten.
Tijdens het diner voegden wij ons bij de laatste naam op Larkins telegram: Jesse Hughes, een imposante man, donker van gestalte en uitstraling, met een achtergrond als historicus en archeoloog. Hij sprak bedachtzaam en met kennis van zaken.
Wat mij echter reeds in deze eerste gesprekken opviel, was de opvallende fixatie van mijn mannelijke reisgenoten op lokale cultussen en volksverhalen over monsterlijke wezens. Ik achtte dit destijds weinig relevant; folklore is interessant, maar geen fundament voor een expeditie. Een misvatting, zo blijkt nu.
De barman vertelde ons over de kharisiri — ook wel pishtaco ñaqaq genoemd — een folkloristisch wezen dat het vet uit zijn slachtoffers zou zuigen. Hij sprak tevens over groepen die deze wezens zouden vereren, en noemde de stad Puno, waar een zekere medicijnvrouw, Nayra, meer zou weten. Ik deed het af als verhalen om kinderen mee bang te maken. Dat leek mij toen nog een redelijke houding.
Aangezien wij pas 's avonds een afspraak hadden met de heer Larkin in Bar Cordano, besloten de heren de dag te benutten voor een bezoek aan het museum en de bibliotheek. Ik ging mee — deels uit nieuwsgierigheid, deels bij gebrek aan een beter plan.

Het museum was aangenaam, zij het bescheiden vergeleken met het British Museum in Londen of het Metropolitan in New York. De ware interesse van de heren lag echter bij de bibliotheek. Na een bescheiden financiële stimulans voor de bibliothecaresse kregen wij toegang tot de collectie. Enkele behulpzame studenten legden ons de ordening uit na het inzetten van mijn vrouwelijke charmes.
Wat wij vervolgens leerden, borduurde voort op hetgeen de barman had verteld: de regio waar wij zouden zoeken werd gemeden wegens haar vermeende vervloeking. Bovendien waren er de afgelopen jaren — en later ook de omgeving van Lima — lichamen aangetroffen die op onverklaarbare wijze waren “leeggezogen”.
Wij maakten ook kennis met Trinidad Rizo, assistente van professor Sánchez aan de universiteit. Een vriendelijke, scherpzinnige jongedame. Tegen de tijd dat mijn belangstelling definitief was uitgeput, keerden wij terug — het was tijd voor onze ontmoeting met Larkin.

Augustus Larkin… wat moet ik over hem schrijven? Hij werd vergezeld door een breedgeschouderde lijfwacht, Luis de Mendoza. Larkin zelf was zijn tegenpool: fragiel, uitgemergeld, met ingezonken ogen en een hoest die klonk alsof hij meerdere dodelijke aandoeningen, zoals kinkhoest en cholera, tegelijk trotseerde. Hij zag eruit alsof hij elk moment kon bezwijken. En dit was de man die onze expeditie zou leiden.

Zijn plan was om per vrachtwagen naar Puno te reizen en daar extra personeel te ronselen voor de tocht door de jungle. De tempel zou overladen zijn met goud — meer dan onze stoutste dromen. Hij toonde ons zelfs een medaillon als voorproefje, onmiskenbaar waardevol.
Toch klonk zijn verhaal overdreven, en het was duidelijk dat hij zaken achterhield. Ook viel de gespannen verhouding tussen Hughes en Larkin op; de blikken die eerstgenoemde hem toewierp waren allesbehalve vriendelijk. Over twee dagen zouden wij vertrekken. Ondanks mijn investering begon ik ernstig te twijfelen.
Na afloop keerden wij terug naar het hotel, vergezeld door Hughes. Na enig aandringen vertrouwde hij ons toe dat zijn naam niet werkelijk Jesse Hughes was, maar Jackson Elias — een schrijver die bekendstaat om het ontmaskeren van occult bedrog. Hij wilde ook Larkin ontmaskeren. Zijn ware identiteit moest verborgen blijven.
De volgende dag bezochten wij professor Sánchez. Hij bevestigde vooral wat wij reeds wisten. Trinidad was bezig archiefstukken te halen, maar bleef lang weg. Te lang. John en ik gingen kijken. Wat ik toen zag, tart elke beschrijving.
Luis de Mendoza stond gebogen over een lichaam — maar hij was geen mens. Zijn gezicht was een gapende bek, omringd door vlijmscherpe tanden, als een bloeddorstige zuignap. Op de vloer lag Trinidad, uitgemergeld, levenloos, met een gapende wond in haar borst.

Nog voordat de gruwelijkheid van wat ik zag enigszins tot me doordrong, dook het monster dat Luis was bovenop mij. In blinde paniek wist ik het wezen, het moest wel zo'n kharisiri zijn, te ontwijken. John schoot, trof doel, maar zijn kogels richtten weinig tot niets aan. Ik dacht dat ons laatste uur geslagen had, maar tot mijn verbazing leek het niet uit op onze dood, en koos het ervoor om te vluchten.

John ging nog in de achtervolging terwijl ik mij ontfermde over de onfortuinlijke Trinidad. Zij bleek niet meer te redden. In haar hand hield zij haar laatste aantekeningen en een langwerpig gouden voorwerp met vreemde tekens. De tekst beschreef exact wat wij hadden gezien. En meer, waaronder de naam: De Mendoza. Dezelfde? Na honderden jaren? Ik zakte ineen.
Spaans, geschreven door Gaspar Figueroa, 1543, op perkament.
Figueroa – een Spanjaard die met Francisco Pizarro naar Peru was gereisd.
Volgens de tekst trok Figueroa eropuit om zijn eigen fortuin te zoeken na de moord op Pizarro in 1541. Hij werd vergezeld door Hernando Ruiz, Diego Garrido, Luis de Mendoza en Pedro de Velasco — mede-conquistadores die onder Pizarro hadden gediend. Zij reisden naar de zuidelijke hooglanden van de Andes, op zoek naar schatten, in de hoop hun fortuin te maken voordat zij naar Spanje zouden terugkeren om zich in luxe terug te trekken.
Toen zij geruchten hoorden over een eeuwenoude tempel vol goud, trokken de mannen de bergen in ten zuidwesten van het Titicacameer. Daar vonden zij een piramide, omringd door een doolhofachtig netwerk van ondergrondse tunnels. De wanden van de gangen waren ingelegd met verfijnde gouden reliëfs. De mannen wrikten een groot gedeelte van het goud los en putten zichzelf volledig uit bij die poging. Die nacht, terwijl zij uitrustten, werden Figueroa’s gezellen getroffen door een kwaadaardige ziekte; in het ochtendlicht zagen zij er uitgemergeld en doods uit. Klagend over een ondraaglijke honger, achtervolgden zij Figueroa; De Mendoza haalde hem in en begon hem te verslinden als een menselijke bloedzuiger. Figueroa schoot zijn vriend door het hoofd en sloeg op de vlucht, waarbij hij slechts even stopte om zoveel goud mee te grijpen als hij kon dragen.
Uiteindelijk keerde Figueroa terug naar Lima, in de hoop een overtocht naar huis te krijgen, maar hij was te verzwakt door zijn beproeving. Figueroa beschrijft zichzelf als uitgeput, nauwelijks meer dan een wandelend lijk.
Ik las de Laatste Bekentenissen als Figueroa's poging om de schuld die zijn hebzucht op hem had gelegd, van zich af te werpen. Hij geloofde dat zijn lot en dat van zijn metgezellen was veroorzaakt door hun ontheiliging van een heilige plaats, en zijn vurigste wens was dat hij de schade die hij had aangericht ongedaan kon maken. Hij beschrijft hoe hij nog steeds de stemmen van zijn vrienden kan horen, die schreeuwen van een onmenselijke honger, en hoe hij in de duisternis van de nacht een andere stem hoort — oud en verleidelijk — die hem eeuwig leven belooft als hij naar de tempel terugkeert. De stem vertelde Figueroa hoe hij contact kon maken, maar het lijkt erop dat Figueroa te bang was om dit ooit te proberen.
Een naschrift, geschreven door de priester die de laatste sacramenten toediende, vermeldt dat Figueroa een dag na het voltooien van zijn Laatste Bekentenissen stierf. Zijn laatste woorden waren een smeekbede aan welke goden er ook luisterden, om hem zijn godslasteringen te vergeven.
Ik zou moeten vertrekken. De eerste boot nemen. Verlies accepteren. Ieder verstandig mens zou dat doen. Maar ik blijf. Voor nu. Ik kwam hier voor avontuur — en dat heb ik gekregen. Niet het avontuur dat ik zocht, maar onmiskenbaar één dat mij heeft gevonden.
Sessie 1 — 19 januari 2026