❧ vrijdag 16 februari 1923

Omstreeks half één in de middag arriveerden wij eindelijk in Constantinopel. De treinreis met de Orient Express had ons tot aan de rand van Europa gebracht, maar het perron zelf leek een wereld op zich — en niet bepaald een ordelijke.
De aankomst was een kakofonie van geluiden, geuren en beweging. Tussen de reizigers liepen kippen en geiten vrij rond, terwijl overal mannen met karren en manden schreeuwden om de aandacht van passerende passagiers. De lucht was zwaar van onbekende kruiden, dierlijke geuren en de muffe damp van te veel lichamen op een te kleine ruimte. Iemand had zelfs een klein aapje bij zich.

Na enig onderhandelen wisten Klaus en ik een kruier te regelen voor onze bagage en een taxi om ons naar het hotel te brengen. De rit door de stad bood een eerste indruk van Constantinopel — en die indruk was… weinig verheffend. De straten lagen vol afval; tussen hopen vuil lagen dode duiven en hier en daar resten van rottende vis. Wilde honden en katten scharrelden overal rond en vochten om wat eetbaars. Het geheel maakte een sombere, enigszins verontrustende indruk.
Wij namen onze intrek in het Pera Palace Hotel, dat wordt gerund door Wagon-Lits, dezelfde organisatie die ook de Orient Express beheert. Het hotel vormt een merkwaardig eiland van Europese orde en luxe midden in een stad die op het eerste gezicht chaotisch en vervallen aandoet.
Nadat wij onze kamer hadden betrokken, brachten Klaus en ik het Sedefkar-simulacrum en de Scroll of the Head naar de hotelkluis, waar zij veilig konden worden opgeborgen. De gebeurtenissen van de afgelopen weken hebben ons geleerd dat men dergelijke zaken niet lichtvaardig moet behandelen.
De rest van de avond brachten wij rustig door in het hotel, enigszins vermoeid van de reis en de drukte van de stad.
De volgende ochtend namen wij een taxi naar het oude centrum van de stad. Ons doel was tweeledig: een bezoek aan het Topkapı Palace Museum en de universiteit, waar wij hoopten iemand te vinden met kennis van oude manuscripten en archeologische zaken.
Wij begonnen bij de universiteit. Daar werden wij na enig zoeken doorverwezen naar een professor genaamd Mehmet, die samen met een student, Youssouf, bereid bleek ons te helpen. Beide heren toonden een oprechte interesse in onze vragen.
Dankzij hun hulp vonden wij verwijzingen naar de zogeheten Sedefkar-scrolls. Volgens de universiteitsarchieven zouden deze zich in het bezit bevinden van het Topkapı Museum. Professor Mehmet gaf bovendien aan dat de directeur van het museum, Professor Azap, waarschijnlijk meer over deze documenten zou kunnen vertellen.
Tijdens ons gesprek vroegen wij tevens naar twee andere zaken die ons bezighouden: de Brothers of the Skin en de zogeheten “Shunned Mosque.”
Tot onze verrassing wisten onze gesprekspartners hier iets over te vertellen. Er schijnt in de stad een verlaten moskee te bestaan — een ruïne met een rozekleurige steenstructuur — die al jaren wordt gemeden door de lokale bevolking. Volgens de verhalen heeft het gebouw een slechte reputatie en wordt het bezocht door ongure figuren. De mogelijkheid dat deze plek als hoofdkwartier van een cultus dient, lijkt ons zeer waarschijnlijk.
Na dit gesprek begaven wij ons naar het Topkapı Museum, waar wij erin slaagden een onderhoud te krijgen met Professor Azap.
Hij bevestigde dat de Sedefkar-scrolls inderdaad in het bezit van het museum zijn. Aanvankelijk leek hij huiverig om ons toegang te geven tot deze stukken. Maar het laten vallen dat ik werk voor de Miskatonic University en het noemen van mijn leidinggevende, Dr. Henry Armitage maakte zijn houding aanzienlijk welwillender. Hij stemde er uiteindelijk mee in ons de scrolls te laten bekijken.
Tot onze grote ontsteltenis bleek bij aankomst in de kelder waar zij waren opgeslagen dat de scrolls gestolen waren. Op de plaats waar zij hadden gelegen lag slechts een kort briefje:
“De Huidloze eist terug wat van hem is. Vervloekt zij Garaznet de Dief.”

In het archiefregister ontdekten Klaus en ik dat de scrolls voor het laatst waren ingezien in 1823, door iemand genaamd Melik Makryat. Die achternaam kwam ons akelig bekend voor. In Londen kwamen wij immers drie vermoorde mannen tegen die allen een paspoort droegen met diezelfde naam — hoewel zij duidelijk niet dezelfde persoon waren.
Het briefje zelf was echter zeker geen honderd jaar oud, maar veel recenter. Waren de scrolls al veel eerder gestolen en het briefjes pas veel later geplaatst? En wat betekende de vervloeking aan het adres van Garaznet? Iemand die de Brothers of the Skin eerder had gedwarsboomd en de scrolls had gestolen? En dat ze deze inmiddels terug hadden gekaapt? Het antwoord ontgaat ons vooralsnog.
Professor Azap suggereerde dat bij de universiteit wellicht meer informatie over Garaznet de Dief te vinden zou zijn in de bibliotheek. Daar ontdekten wij dat Garaznet een Koerdische geleerde was die ongeveer vierhonderd jaar geleden leefde. Hij ligt begraven op het Üsküdar-kerkhof, aan de overzijde van de Bosporus.
Het was inmiddels echter laat in de middag, en wij besloten de overtocht naar de volgende dag te verschuiven.
Bij terugkeer in het hotel troffen wij een onrustige sfeer aan. In de stad blijken de laatste tijd veel kinderen te verdwijnen. Sommigen fluisteren over slavenhandel. Klaus en ik vrezen iets veel ergers. In de Scroll of the Head wordt immers melding gemaakt van kinderoffers en rituelen waarbij de huid van kinderen wordt gebruikt. Onder de verdwenen kinderen bleek zich ook het zoontje van de Britse ambassadeur te bevinden.
Wij besloten de ochtend te beginnen met een bezoek aan het Britse consulaat, in de hoop meer te weten te komen over het verdwenen kind. Daar maakten wij kennis met Sir Douglas Rutherford, de Britse ambassadeur. De man bleek een buitengewoon onaangename persoonlijkheid — grof, arrogant en openlijk racistisch. Zijn zoontje, James, was verdwenen uit de tuinen van de ambassade. Na enig overleg wisten wij Rutherford ervan te overtuigen dat de informatie die hij met ons zou delen mogelijk zou bijdragen aan het terugvinden van zijn kind.
Tijdens het gesprek opperde hij de merkwaardige theorie dat zijn zoon misschien verward zou kunnen zijn met een Turks kind, aangezien de jongen door zijn zongebruinde huid minder “Engels” zou lijken. Wij zagen de relevantie van deze opmerking echter niet in.
Tijdens een inspectie van de tuin viel ons een van de tuinmannen op. De man had vreemde littekens rond zijn gezicht en staarde uitdrukkingsloos voor zich uit, alsof hij nauwelijks bij bewustzijn was. Maar plotseling sprak hij alsnog — en vervloekte ons allen in naam van de Skinless One. Hij waarschuwde onder meer dat: “The Skin Beast will come soon.”

Daarna kwam de tatoeage op zijn huid tot leven te komen. Zijn lichaam verschrompelde, alsof het van binnenuit werd leeggezogen. Het leek verdacht veel op de shrivelling magie van mijn amulet. Binnen enkele seconden was hij dood. Opnieuw een cultist — en opnieuw iemand die liever stierf dan antwoorden gaf.
Het lijkt ons nu vrijwel zeker dat de Brothers of the Skin achter de verdwijning van de kinderen zitten. Het is zelfs mogelijk dat de politie al door hen is beïnvloed — door corruptie of infiltratie.
Sir Rutherford gaf ons uiteindelijk een naam van iemand die mogelijk meer zou weten: Beylab de Zweter. Om hem te bereiken zouden wij naar de Grote Bazaar moeten gaan en van daaruit een ontmoeting regelen in een van de Turkse badhuizen van de stad.
Toch besloten wij eerst een andere aanwijzing te volgen. Op aandringen van Klaus namen wij een pont over de Bosporus naar de overkant van de stad en reisden verder naar het Scutari kerkhof. Na veel zoeken en navragen vonden wij uiteindelijk het graf van Garaznet de Dief. Het graf bleek recent geschonden.
Helaas moeten wij hier bekennen dat Klaus en ik, ondanks dat je van Klaus z’n achternaam anders zou mogen verwachten, niet vooruitziend genoeg waren geweest om spades of scheppen mee te nemen. Wij konden dus niet vaststellen wat men precies uit het graf had willen halen — of dat men iets had gevonden.
Een frustrerende ontdekking. En mogelijk een teken dat wij opnieuw te laat zijn.
