De vernietiging van het simulacrum. Onze missie...geslaagd!

❧ maandag 19 februari 1923

 

Wij bevonden ons nog altijd op het Scutari kerkhof, vastbesloten niet met lege handen te vertrekken. Een graf schenden zonder gereedschap is immers weinig meer dan een symbolisch gebaar — en wij waren niet zo ver gereisd om symboliek te bedrijven. Na enig zoeken vonden wij een kleine schuur, waarin zich ongetwijfeld het benodigde gereedschap bevond. Helaas bleek deze op slot. Daarnaast verscheen een beheerder van het kerkhof, die ons sommeerde te vertrekken aangezien het terrein zou sluiten.

Wij gehoorzaamden — althans, in schijn. Zodra wij buiten zicht waren, verborgen Klaus en ik ons tussen de grafzerken en de struiken en wachtten geduldig tot de avond viel en het kerkhof volledig verlaten was. Pas toen keerden wij terug naar de schuur.

Het hangslot bleek hardnekkig. Onze eerste poging om het open te breken mislukte. Klaus, niet geneigd zich door een stuk metaal te laten tegenhouden, forceerde vervolgens een klein luikje. Binnen zagen wij inderdaad scheppen, een koevoet en enkele zaklampen. De deur zelf gaf aanvankelijk geen krimp, maar na een welgemikte aanloop wist Klaus deze met brute kracht open te beuken — zij het ten koste van zijn schouder, die hem daarna zichtbaar parten speelde.

Wij namen wat wij nodig hadden en keerden terug naar het graf van Garaznet de Dief.

Het graven zelf was een moeizaam karwei. Met slechts één functionele hand was mijn bijdrage beperkt, waardoor Klaus het grootste deel van het werk op zich moest nemen. Ik hield de wacht en wierp regelmatig blikken over mijn schouder, terwijl de schemering langzaam plaatsmaakte voor de nacht.

Toen gebeurde er iets dat zelfs in onze huidige omstandigheden als… uitzonderlijk moet worden beschouwd. Op een nabijgelegen grafsteen verscheen een oude man — gerimpeld, gekleed in vodden, en met een blik die getuigde van een verstoorde geest. Hij sprak uitsluitend Arabisch, maar zijn gebaren waren duidelijk: hij moedigde ons aan om door te gaan. Een zonderlinge bondgenoot, zo men wil.

Kort daarna bemerkte ik echter meer beweging. Schaduwen die zich verplaatsten. Gefluister. Het geritsel van voeten tussen het grind. Wij waren niet alleen. Ik hield mijn pistool gereed.

Na enige tijd stuitte Klaus op een grafkist. Met de koevoet brak hij deze open — waarna een verstikkende geur van verrotting ons tegemoet sloeg.

Wat daarop volgde tart elke redelijke beschrijving. Uit de kist rees een zwarte, blubberige massa, die zich vormde tot iets wat men slechts bij benadering een arm zou kunnen noemen — en die onmiddellijk naar Klaus uithaalde. Klaus spring gelukkig op tijd opzij.

Maar nog voor wij verder konden reageren, escaleerde de situatie verder. De oude man verdween plotseling, en uit de duisternis traden tientallen figuren naar voren. Wij waren omsingeld. De Brothers of the Skin. Zij eisten dat wij ons overgaven. Gezien hun overweldigende aantal restte ons weinig keuze. Wij deden een stap terug van het graf — en van het ding dat daaruit was opgestaan — en ik borg mijn pistool op.

De menigte week uiteen. Uit de opening werd eerst een grote lederen zak naar voren gebracht, waarin iets onmiskenbaar bewoog. Daarna verscheen hij. Selim Makryat. Een broze, knokige figuur, gedragen op een draagstoel. Zijn huid leek meer op oud leer dan op iets menselijks. Hij eiste het simulacrum.

Toen wij weigerden, liet hij zien dat zijn macht niet enkel berustte op het aantal volgelingen. Hij drong binnen in Klaus’ geest — een aanval die hem zichtbaar brak. Maar wat Selim niet had voorzien, was dat ik hem daarin kon weerstaan. Met moeite maande ik hem te stoppen, waarna Klaus ineenzakte.

Bij onze tweede weigering werd de inhoud van de zak onthuld. Ik zal hier niet uitvoerig op ingaan. Laat het voldoende zijn te zeggen dat het een samengevoegde massa van kinderlijkjes betrof. Werkelijk walgelijk. Maar niet overtuigend om ons van ons standpunt af te laten wijken. Zelfs als wij hem de locatie van het simulacrum zouden geven, had hij reeds duidelijk gemaakt dat ons lot bezegeld was. Er viel niets te winnen.

Selim greep opnieuw naar zijn krachten, ditmaal met grotere intensiteit. Nadat hij geen greep op mijn eigen geest wist te krijgen, werd Klaus opnieuw het doelwit. In dat moment restte mij weinig anders dan een leugen te spreken — dat de onderdelen zich in een bankkluis bevonden.

Tot mijn verrassing leek hij dit te accepteren. Hij vertrok — samen met zijn volgelingen. Maar het monster bleef en kwam op ons af.

Op dat moment verscheen de krankzinnige oude man opnieuw, wenkend dat wij hem moesten volgen. Wat volgde was een chaotische vlucht door het kerkhof. Klaus wist met een handgranaat een van de groteske “ledematen” van het wezen te vernietigen, maar het was niet voldoende om het te stoppen. Pas toen wij een bootje bereikten en de Bosporus overstaken, waren wij veilig.

De oude man — met behulp van een vriendelijke voorbijganger die als tolk fungeerde — bleek ons uiteindelijk niets zinnigs te kunnen vertellen. Wij keerden terug naar het hotel.

De ochtend bracht bijzonder slecht nieuws. Onze hutkoffer — waarin wij de delen van het simulacrum veilig waanden — bleek leeg. Mijn list had gefaald. Of erger nog: zij waren ons mogelijk altijd al een stap voor geweest. Opgeven was echter geen optie.

Dus begaven wij ons naar de Grand Bazaar, op zoek naar Beylab the Perspirer. Na enig navragen vernamen wij dat hij zich ophield in een Turks badhuis nabij ons hotel. Een afspraak werd gemaakt voor het middaguur.

Het badhuis zelf bleek, zoals achteraf natuurlijk te verwachten viel, strikt gescheiden naar geslacht. Klaus verdween — gehuld in weinig meer dan een handdoek — naar zijn ontmoeting. Ik voegde mij bij het gedeelte voor de vrouwen waar zelfs een handdoek niet was toegestaan.

Daar zag ik een vrouw wier lichaam — net als dat van eerdere cultisten — duidelijk uit verschillende delen leek te zijn samengesteld. Een lid van de Brothers of the Skin, die ogenschijnlijk dus ook vrouwelijke leden telde. Ik speelde mijn rol met zorg en wist te achterhalen dat er die avond een ritueel zou plaatsvinden in de Rode Moskee. Iedereen die in rode gewaden verscheen, zou toegang kunnen krijgen.

Ondertussen verliep Klaus' ontmoeting… minder voorspoedig. Beylab — een corpulente man die zijn bijnaam eer aandeed — bevestigde de locatie van de moskee en onthulde bovendien een tweede ingang via het riool. Toen Klaus hem echter verder ondervroeg, verscheen plots een cultist en sneed Beylab de keel door voordat deze meer informatie kon verschaffen.

Wat daarop volgde was opnieuw een afschuwelijk schouwspel: het lichaam begon te koken, vlees, vet en botten scheidden zich, en de massa vormde zich tot een wezen dat Klaus aanviel. Ongewapend restte hem slechts de vlucht.

Wij ontmoetten elkaar buiten en besloten dat het bijwonen van het ritueel onze volgende stap moest zijn. Wij schaften rode gewaden aan. Daarnaast zochten wij opnieuw contact met Sir Douglas Rutherford, die bereid bleek ons te ondersteunen in de hoop zijn zoontje te kunnen redden. Hij beloofde een contingent soldaten paraat te houden in de buurt van de moskee.

Die avond begaven wij ons naar de wijk waarin de Rode Moskee zich bevond. Reeds op afstand was duidelijk dat hier iets gaande was. De straten waren druk — niet met het gebruikelijke volk, maar met mensen die, net als wij, gehuld waren in dieprode gewaden. De wijk zelf was vervallen en somber. Wij voegden ons bij de stroom.

De toegang tot de moskee werd bewaakt, maar we wisten ons een weg naar binnen te verschaffen. Binnen was het… overweldigend. De centrale hal was gevuld met een dichte menigte. Kaarslicht flakkerde tegen de muren en wierp lange, dansende schaduwen. Vooraan bevond zich een verhoogd podium.

Daarachter een stenen wand, waarin zes nissen waren uitgehouwen. Hun rangschikking was onmiddellijk herkenbaar: een vijfpuntige ster, met een centrale opening. Een plaatsing voor het simulacrum. Klaus en ik wisselden een korte blik en begonnen ons ons langzaam naar voren te werken. Niet te snel — dat zou opvallen — maar vastberaden genoeg om dichter bij het podium te komen. Schouder aan schouder met cultisten.

Toen begon het. Eerst werden de kinderen binnengebracht. Een rij kleine gestalten, zichtbaar verward en angstig, begeleid door cultisten die lange naalden en draden omhoog hielden als groteske instrumenten. Onder hen bevond zich James Rutherford.

Daarna volgde de draagstoel. Selim Makryat werd naar voren gebracht, broos en tegelijk afschrikwekkend. In zijn handen hield hij de volledige set scrolls. Toen verschenen de onderdelen van het simulacrum. Eén voor één werden zij in de nissen geplaatst.

Het was op dat moment dat de ruimte volledig stilviel. Selim begon te spreken. Geen woorden die ik herkende — eerder klanken, oud en schurend, die zich leken vast te haken in het gehoor. En toen zagen wij het. De linkerarm van het simulacrum begon te vergaan. Niet simpelweg te vervallen — maar uiteen te vallen tot stof. Tegelijkertijd zwol Selims eigen arm op. Spieren groeiden waar eerder slechts bot en huid waren geweest. De transformatie was zichtbaar, tastbaar — en volstrekt onnatuurlijk.

Een bevestiging van alles wat wij vreesden. Dit was geen ceremonie. Dit was overdracht.

Daarna volgde het torso. Opnieuw datzelfde proces. Het artefact dat oploste — Selim die sterker werd. Zijn lichaam veranderde voor onze ogen, van een verschrompeld omhulsel naar iets dat kracht uitstraalde.

Dat was het moment waarop wachten geen optie meer was. Ik knikte kort naar Klaus. In één beweging trokken wij onze pistolen van onder de gewaden.

Wij vuurden. De menigte deinsde uiteen, geschreeuw brak los. Een cultist wierp zich voor Selim en ving een deel van mijn kogels op, maar niet alle. En ook Klaus trof doel. Selim werd geraakt, wankelde — en stortte levenloos ter aarde.

Voor een fractie van een seconde leek het alsof de wereld inhield. En toen brak de hel los. Paniek. Geschreeuw. Mensen die alle kanten op vluchtten. En daar, door het tumult heen, het geluid van Britse soldaten die de moskee binnendrongen.

Maar wij kregen geen tijd om te handelen. Op het podium verscheen een figuur. Langzaam liet hij zijn kap zakken. Mehmet Makryat. Zijn blik vond de onze, en een koude glimlach verscheen op zijn gezicht. "Eindelijk," zei hij. "We ontmoeten elkaar opnieuw."

Er was geen ruimte voor woorden. Wij vuurden opnieuw. Kogels troffen hem, maar niet fataal. Met een woeste beweging trok hij een mes en stortte zich op mij. De impact was hevig; pijn schoot door mijn lichaam toen het mes zijn doel vond.

Ik wankelde, maar hij had één fout gemaakt. Hij was te dichtbij gekomen en ik greep hem bij het gezicht. Ik zag de paniek in zijn ogen — het moment waarop hij dat begreep. "Laat dit meteen de laatste keer zijn," zei ik en liet mijn kracht los. Zijn lichaam kromp ineen, verschrompelde, en stortte neer als een levenloos omhulsel.

Daarna namen de Britten de controle over. Klaus en ik verspilden geen tijd en verzamelden de scrolls en de resterende delen van het simulacrum. Even later voegde Sir Douglas Rutherford zich bij ons, zichtbaar opgelucht over het levend terugvinden van zijn zoontje. Er werd afgesproken dat wij de volgende dag, onder toezicht en met behulp van een tolk, de scrolls zouden bestuderen.

Dit keer niet om te begrijpen. Maar om te vernietigen.

Wij brachten de nacht door op de Britse ambassade en de volgende ochtend begon het werk. Met behulp van een tolk, Mustafa, ontcijferden wij de inhoud van de scrolls. De vernietiging ervan vereiste een ritueel dat even precies als gevaarlijk was. En het diende te worden uitgevoerd op de plek waar het bijna tot voltooiing was gekomen: De Rode Moskee.

De volgende dag werd die omgeving nog altijd bewaakt door Britse troepen. Waar enkele dagen eerder een menigte bijeen was gekomen, stonden nu slechts wij — en een handvol gewapende mannen op afstand.

Klaus en ik begonnen aan het ritueel en voelden onmiddellijk dat wij iets in beweging zetten. De onderdelen van het simulacrum begonnen te reageren. Niet zoals bij Selim — geen overdracht, geen versterking — maar verzet. Het was geen passieve vernietiging. Het was een strijd.

Klaus hield stand. Zijn concentratie was volledig, ondanks de krachten die zichtbaar op hem inwerkten. Ik zag hoe zijn hand trilde — maar hij brak niet.

Ikzelf voelde het ook. Iets dat zich uitstrekte, dat probeerde grip te krijgen. Een echo van dezelfde macht die Selim had gebruikt. Maar ditmaal hadden wij de controle. Stap voor stap. Woord voor woord. Tot het punt van breken. Met een laatste, allesomvattende spanning barstten de onderdelen uiteen.

Niet in stof, zoals eerder, maar in scherven. Fragmenten die hun samenhang verloren en als betekenisloze resten op de vloer vielen.

Het was voorbij. Na honderden jaren. Het simulacrum was vernietigd. Onze missie was geslaagd.