❧ woensdag 14 maart 1923

De trein rijdt nog altijd. Dat zal hij waarschijnlijk blijven doen, lang nadat wij allen tot stof zijn vergaan. Het is een eigenaardige gedachte — dat iets zo alledaags als een treinreis het toneel kan zijn van zaken die geen mens ooit zou moeten aanschouwen.
Ik schrijf dit met één oog minder dan waarmee ik begon. Een kleine prijs, zo vind ik zelf. Een prijs die ik vol waardigheid kies te dragen. Het is een merkwaardige gewaarwording, om de wereld letterlijk anders te zien dan voorheen — zowel letterlijk als figuurlijk. En er zal altijd iets blijven ontbreken, niet alleen in mijn zicht, maar ook in mijn begrip van wat wij hebben meegemaakt.
Fenalik is niet meer. Selim en Mehmet Makryat evenmin. Namen die dreiging behelsden, nu gereduceerd tot herinneringen en stof. Het zou mij rust moeten brengen, te weten dat zij geen kwaad meer kunnen aanrichten. En toch knaagt er iets. Alsof hun einde niet zozeer een overwinning was, maar een noodzakelijk offer in een spel waarvan wij de regels nooit volledig hebben begrepen.
Want er zijn er nog.
Hertog Jean uit Lausanne, die zwoer dat wij nog niet van hem af waren. En de Baba Yaga — een naam die ik liever niet hardop uitspreek, uit bijgeloof of misschien uit gezond verstand. Wij hebben hen niet gestopt. Niet werkelijk. Hoogstens hebben wij hen vertraagd, zoals men een deur op een kier houdt terwijl de storm ertegen beukt.
Klaus zegt dat we tevreden moeten zijn met wat we wél hebben bereikt. Ondanks zijn vaak verwarrende gedrag heeft hij de neiging de zaken eenvoudiger te zien dan ik, en ik ben hem daar dankbaar voor. Zonder hem — zonder zijn standvastigheid, zijn koppigheid — vrees ik dat ik allang bezweken zou zijn onder het gewicht van alles wat wij hebben gezien.
Wij spreken er niet vaak over. Misschien omdat woorden tekortschieten, of misschien omdat wij beiden vrezen wat er gebeurt als wij de herinneringen te veel ruimte geven. Toch is er een stil begrip tussen ons, een band gesmeed niet uit keuze, maar uit noodzaak.
Wij hebben gedaan wat gedaan moest worden. Dat blijft de enige zekerheid die mij rest. Of het voldoende was… dat is een vraag waar ik geen antwoord op heb, en wellicht nooit zal krijgen.

Na de gebeurtenissen in Constantinopel zijn wij nog enkele dagen gebleven, maar besloten daarna terug te keren. Ondanks mijn huivering toch weer met de Orient Express, maar nu zonder tussenstops direct door naar Parijs. Daar kozen we voor een korte omleiding langs het prachtige historische Amsterdam, om daarna in Rotterdam in te schepen om terug te keren naar New York. En daarna Arkham. Thuis.
Nu, midden op de Atlantische Oceaan, aan boord de SS Maasdam, sluit ik dit verslag. Niet omdat het verhaal ten einde is — want dat is het zeer zeker niet — maar omdat mijn rol daarin, voor nu althans, is uitgespeeld.
