"I cannot reveal the details of our shocking expeditions, or catalogue even partly the worst of the trophies adorning the nameless museum we prepared in the great stone house where we jointly dwelt, alone and servantless. Our museum was a blasphemous, unthinkable place, where with the satanic taste of neurotic virtuosi we had assembled an universe of terror and decay to excite our jaded sensibilities. It was a secret room, far, far underground; where huge winged daemons carven of basalt and onyx vomited from wide grinning mouths weird green and orange light, and hidden pneumatic pipes ruffled into kaleidoscopic dances of death the lines of red charnel things hand in hand woven in voluminous black hangings."
— H. P. Lovecraft, The Hound (1924)
Een bezoek aan het Koloniaal Instituut
Haarlem, Nederland — 9 september 1932

Ik herinner mij nog goed mijn eerste bezoek aan het Koloniaal Instituut in Amsterdam, kort na de opening in 1926. Destijds was ik nog student en zou er later vele middagen doorbrengen tussen de vitrines en stoffige catalogi, gedreven door mijn fascinatie voor vreemde culturen en verre landen. Het gebouw maakte diepe indruk op mij: de hoge zalen, de geur van oud hout en gepolijst koper, en overal voorwerpen die leken te getuigen van werelden die oneindig ver verwijderd waren van de onze.
Bij mijn eerste bezoek viel mijn oog op een kleine verzameling objecten uit Zuid-Amerika die destijds in een zijzaal tentoongesteld stonden. Ik herinner mij vooral enkele stenen reliëfs, een ritueel masker en een reeks vergulde sieraden waarop telkens slangenmotieven terugkeerden. Het was merkwaardig werk — ouder ogend dan de rest van de collectie, grover van uitvoering, maar tegelijkertijd opvallend verfijnd in detail.

Enige maanden later keerde ik terug voor een tweede bezoek, met de bedoeling diezelfde stukken beter te bestuderen. Tot mijn verbazing was de volledige verzameling verdwenen. De vitrines waren leeg, alsof de objecten er nooit hadden gestaan. Een medewerker vertelde mij destijds, op bijna achteloze toon, dat de stukken "tijdelijk uit de collectie waren gehaald." Verdere uitleg kreeg ik niet.
Pas jaren later, toen ik vergelijkbare motieven begon aan te treffen in Colombia, Suriname en de binnenlanden van Indië, begon ik te vermoeden dat die vitrines in Amsterdam wellicht belangrijker waren geweest dan ik destijds besefte.


