"Mort nodded. As they followed Death's dark shape he reflected on an endless future, serving whatever mysterious purpose the Creator had in mind, living outside Time. He couldn't blame Death for wanting to quit the job. Death had said the bones were not compulsory, but perhaps that wouldn't matter. Would eternity feel like a long time, or were all lives—from a personal viewpoint—entirely the same length?

— Terry Pratchett, Mort (1987)

De sigarettenkoker van Hendrik van Rijn

New York City, Verenigde Staten — 11 maart 1933

Ik heb mij nimmer bijzonder gehecht gevoeld aan stoffelijke bezittingen. Voorwerpen op zichzelf betekenen mij weinig; steeds heb ik meer waarde toegekend aan de menselijke geest en aan de vergaring van kennis. Toch bevindt zich in mijn bezit één object dat ik uitzonderlijk hoog acht en dat ik sindsdien vrijwel voortdurend bij mij draag: een zilveren sigarettenkoker. Niet zozeer om de geldelijke waarde die het vertegenwoordigt, maar om de wijze waarop het in mijn bezit is gekomen — en om de betekenis die het in de loop der jaren voor mij heeft verkregen.

De koker zelf is vervaardigd uit zwaar zilver, fraai versierd langs de randen en zichtbaar geteisterd door langdurig gebruik. Het oppervlak is dof geworden en draagt talloze fijne krassen en kleine beschadigingen, als stille getuigen van vele jaren in de binnenzak van een uniformjas. Aan de buitenzijde staat in strakke kapitalen een Latijnse spreuk gegraveerd:

NON EST MORTUUM QUOD IN AETERNUM POTEST IACERE

Vrij vertaald luidt dit: "Niet dood is hetgeen in eeuwigheid rusten kan." Geen bijzonder alledaagse spreuk voor een sigarettenkoker, dunkt mij.

Enige jaren geleden kwam dit voorwerp in mijn bezit tijdens een expeditie in de binnenlanden van Borneo. Aldaar maakte ik kennis met een Nederlandse officier genaamd Hendrik van Rijn. Hij stond bekend als een buitengewoon nuchter man, rationeel tot in het extreme, en stond onder zijn manschappen bekend om zijn uitgesproken afkeer van bijgeloof en inlands bijgeloof in het bijzonder.

Gedurende de tocht spraken wij vaak met elkaar, zowel tijdens de lange marsen door de verstikkende jungle als 's avonds bij het kampvuur. Het viel mij al spoedig op dat Van Rijn die sigarettenkoker altijd bij zich droeg. Hij behandelde het voorwerp met een opmerkelijke ernst, bijna alsof het meer was dan slechts een gebruiksvoorwerp. Niettemin veranderde hij steevast van onderwerp zodra iemand informeerde naar de oorsprong van de inscriptie.

Op de dag waarop wij diep in de jungle die verlaten nederzetting ontdekten — met in haar midden die merkwaardige kuil — bemerkte ik een duidelijke verandering in zijn houding. Tegen de avond kwam Van Rijn zwijgend naar mij toe. Zonder enige verdere uitleg drukte hij mij de sigarettenkoker in handen. Daarna sprak hij slechts enkele woorden:

"Houd hem bij je, Vermeer. En onthoud goed dat er plaatsen in deze wereld bestaan waar een verstandig mens beter geen antwoorden zoekt."

Diezelfde nacht werd ons kamp aangevallen door die onbekende vijand ergens in het duister tussen de bomen. In de chaos van geweervuur, geschreeuw en paniek verdween Van Rijn spoorloos de jungle in. Net als de anderen die die nacht verdwenen, is hij nooit teruggevonden.

Sindsdien draag ik de koker bij mij, zoals hij dat vóór mij deed. Aanvankelijk beschouwde ik haar slechts als een herinnering aan een verdwenen kameraad, een tastbaar overblijfsel van een expeditie die ik liever zou vergeten. Maar in de jaren daarna heeft het voorwerp een diepere betekenis gekregen.

Want hoe vaker mijn gedachten terugkeren naar de woorden van Van Rijn, naar de eigenaardige uitdrukking in zijn ogen die avond en naar die zonderlinge Latijnse spreuk, des te sterker bekruipt mij de overtuiging dat hij mij destijds méér trachtte duidelijk te maken dan hij hardop durfde uit te spreken.